Overslaan naar inhoud

Casus: hardnekkige voet- en teenflexie na ICU-opname – duidelijke respons op dry needling binnen een ketenbenadering

29 juli 2026 in
Casus: hardnekkige voet- en teenflexie na ICU-opname – duidelijke respons op dry needling binnen een ketenbenadering
Vanoppen Mirthe, Vanoppen Mirthe



Een 56-jarige vrouw werd in 2020 opgenomen met ernstige COVID-19. Door respiratoir falen verbleef zij meerdere weken in coma op intensieve zorgen en werd zij behandeld met ECMO. Na een langdurige ziekenhuis- en revalidatiefase bleef zij kampen met uitgesproken functionele beperkingen ter hoogte van beide voeten.

Na haar herstel ontwikkelde zij een duidelijk afwijkend bewegingspatroon van de voeten, gekenmerkt door een persistente flexiestand van de tenen tijdens staan en stappen. Dit ging gepaard met een verminderde afrol, een gevoel van “vastzetten” van de voeten en functionele pijn bij belasting.

Hoewel dit klinisch beeld vaak wordt benoemd als spasticiteit, waren er geen aanwijzingen voor een blijvend centraal neurologisch letsel. Neurologisch onderzoek toonde geen persisterende uitvalsverschijnselen of klassieke tekenen van centrale spasticiteit. Hierdoor werd een primair neurologische oorzaak onwaarschijnlijk geacht.

De problematiek werd eerder geïnterpreteerd als een functionele verstoring van spierspanning en motorische controle binnen de voet- en enkelketen, ontstaan na een periode van kritieke ziekte, langdurige immobilisatie en intensieve revalidatie.

Na dergelijke trajecten worden in de literatuur veranderingen beschreven in spierfunctie, motorische inhibitie en tonusregulatie. Daarnaast kunnen tijdens het opnieuw aanleren van stappen compensatoire bewegingspatronen ontstaan, waarbij bepaalde spiergroepen langdurig overactief blijven om stabiliteit en controle te behouden. Wanneer deze patronen onvoldoende normaliseren, kan een toestand ontstaan waarin functionele spierketens een verhoogde activatiestatus behouden.

Bij klinisch onderzoek werd vastgesteld dat de problematiek niet beperkt was tot de intrinsieke voetspieren, maar dat er sprake was van een duidelijke betrokkenheid van een volledige functionele keten van het onderbeen en de voet. Er werden myofasciale spanningspunten vastgesteld in:

·        gastrocnemius en soleus

·        tibialis posterior

·        flexor hallucis longus

·        flexor digitorum longus

·        tibialis anterior

·        intrinsieke voetspieren

Deze intrinsieke voetspieren omvatten onder andere de interossei, lumbricales, flexor digitorum brevis, flexor hallucis brevis, abductor hallucis, adductor hallucis en quadratus plantae.

Functioneel gezien werken deze spieren samen met passieve structuren (plantar fascia, ligamenten van de voet) en extrinsieke spieren om de mediale, laterale en transversale voetbogen dynamisch te ondersteunen tijdens belasting. De intrinsieke spieren zorgen daarbij vooral voor segmentale controle van de tenen en voor fijnregeling van de voetboogstijfheid tijdens de stance- en afwikkelfase.

In combinatie met de diepe posterieure keten (gastrocnemius–soleus–tibialis posterior–lange teenflexoren) en de anterieure keten (tibialis anterior) ontstaat een geïntegreerd systeem voor stabiliteit, schokabsorptie en efficiënte voortbeweging. Een verstoring in deze balans resulteerde in een patroon van dominante teenflexie (toe clawing), verminderde afrol en een inefficiënt gangpatroon.

Eerdere behandelingen bestonden uit langdurige manuele stretching van de voet- en onderbeenspieren, met slechts beperkte en niet blijvende verbetering. Gezien het persisterende myofasciale spanningspatroon werd vervolgens gekozen voor dry needling als gerichte interventie binnen een ketenbenadering.

De behandeling richtte zich op dry needling van de volledige functionele keten, met specifieke aandacht voor de gastrocnemius en soleus, tibialis posterior, de lange teenflexoren, tibialis anterior en de intrinsieke voetspieren. Het doel was het reduceren van myofasciale hyperactiviteit, het normaliseren van spierspanning en het herstellen van een meer gebalanceerd ketenfunctioneren tijdens het stappen.

De respons op dry needling was uitgesproken en snel. Reeds na één sessie rapporteerde de patiënte een duidelijk gevoel van ontspanning in de voeten, met een verbeterde afrol en minder gefixeerde teenstand. Na enkele sessies was er een globale klinische verbetering van ongeveer 90%, met normalisatie van het gangpatroon en vrijwel volledige verdwijning van de persisterende flexiestand van de tenen.

De klachten zijn sindsdien niet in dezelfde mate teruggekeerd. Enkel bij verhoogde belasting kan nog een beperkte toename van spanning optreden, die echter duidelijk milder is en functioneel goed controleerbaar blijft.

Na deze initiële verbetering kon gestart worden met gerichte oefentherapie, gericht op het verder opbouwen van belastbaarheid, het hertrainen van voetcontrole tijdens stappen en het integreren van dorsale en ventrale ketenactiviteit. Deze actieve revalidatiefase was voordien niet mogelijk door de hoge rustspanning en het gefixeerde bewegingspatroon, maar werd haalbaar na de reductie van myofasciale spanning door dry needling.

Deze casus illustreert dat een verhoogde spierspanning in de voetregio niet noodzakelijk verklaard wordt door een primair neurologisch letsel. Na langdurige immobilisatie en intensieve revalidatie kan een disbalans ontstaan binnen functionele spierketens van het onderbeen, waardoor een patroon ontstaat dat klinisch sterk kan lijken op spasticiteit. Een ketengerichte aanpak met dry needling kan in dergelijke situaties een snelle en functionele impact hebben op pijn, mobiliteit en gangpatroon.